Zijn eigen koers

Er is een tweede stuurman geboren. Of een machinist, walschipper of misschien wel een schrijver, politicus of archeoloog. Voor de schipper in huis is Carsten zijn tweede stuurman. Hij is trots. Trots op zijn broertje, vriendje en kersverse bemanningslid. Zoals een echte schipper laat Walter zien wie de baas is aan boord. Huilen mag zijn stuurman niet. Alleen echte mannen mogen mee naar zee. En hij mag niet te lang in de kooi liggen stinken. De schipper leert zijn maatje ook een goede visserman worden en de fijne kneepjes van het stuurmanschap. Daar waar het echt om gaat, waarvan iedere visserman droomt én wakker ligt. Koersen naar de rijke visgronden en het klusje klaren: vis vangen, veel mooie grote vis! Ze zetten de visnetten weg (lees: ik ruik melk!) en halen ze vervolgens weer naar boven (lees: heel veel melk drinken, zoveel je kunt!) en verwerken de vangst (lees: heerlijke volle luiers produceren). Daarna mag de bemanning even in de kooi kruipen en de oogjes sluiten voordat ze aan de volgende trek beginnen. En dat gaat het nieuwe bemanningslid nog van het beste af. De hele dag en halve nacht, want na 3 uur in de nacht bepaalt deze stuurman zijn eigen koers. Terwijl hij ligt te spoken probeert iedereen hem weer in de kooi te krijgen, zoals het hoort, zoals van tevoren bedacht. Dat is het beste, toch? Of misschien moeten we hem toch zijn eigen koers laten bepalen. Ook midden in de nacht. De koers naar een toekomst als machinist, walschipper of misschien wel schrijver, politicus of archeoloog. En af en toe, voor zijn eigen bestwil, zullen zijn broer de schipper en wij als ouders en verkenners vooropgaan, op de uitkijkpost staan en checken of de kust veilig is…

c01a906095ea73f418489f6836ef8fb6
Bron: pinterest
Advertenties

Goerees liedje

Een liedje voor de Koning(in). Een aubade aan de Koning(in), dat heel Goeree zong op Koninginnedag en voortaan op Koningsdag. Een echt Goerees liedje, dus ook een beetje voor onszelf en alle andere dagen…

Wij zijn zo trots o-op o-ons Goedereede

Al op onze fijne eiland, omringd door de zee

Waar mensen en dieren graag wonen.

Kinderen spelen en stoeien er op los,

Met poppen, knikkers een hut in het bos.

Blijde gezichten, rode konen.

Hard blaast de wind de wolken vooruit,

Snel draait de molen, de vlag wappert uit;

’t Is Koningsdag. Goeree loopt nu uit!

Vissers en boeren, zij maakten Goeree groot,

In de vissershaven, daar ligt heel de grote vloot.

Om straks te gaan vissen op de Noordzee.

Ploeg en combine werken altijd maar door,

Rijk is de aarde, zij brengt zoveel voort;

Graan, piepers, juun, gladiolen en peeê.

Hard blaast de wind de wolken vooruit;

Snel draait de molen, de vlag wappert uit;

’t Is Koningsdag, Goeree loopt nu uit.

 

 

Melis kreeg het zand en Dirk het land

Deze keer geen column over de visserij, vissers of vis. Maar over Melissant. Mijn aangetrouwde achternaam en een dorp op het eiland Goeree-Overflakkee. Een naam die dankzij mijn schoonvader Wout overigens ook niet onbekend klinkt in de visserij…

En dan heet je ineens Melissant van achteren. In het begin moet je wennen. Je verspreekt je nog al eens. En ook aan de uitspraak en klemtoon van mijn nieuwe achternaam moest ik nog werken volgens naamgenoten. Maar nu hoort hij helemaal bij me. Trots stel ik me niet alleen meer voor als Caroline, maar als Caroline Melissant. Het mag gehoord worden. En ze mogen best weten dat ik van Goeree-Overflakkee kom. Daar is natuurlijk geen twijfel over mogelijk met zo’n achternaam.

Het is heerlijk dat je nergens in een winkel op het eiland je naam hoeft te spellen. De enige verwarring die weleens ontstaat is dat men denkt dat ik in Melissant woon. De ‘overkanter’ daarentegen is minder bekend met het Flakkeese dorp en spreekt het vaak uit met een sjiek Frans accent waarbij ze de ‘t’ inslikken. Over de geschiedenis van het dorp weet ik alleen dat Melis het zand kreeg en Dirk het land.

Twee eeuwen herindelingen

Roxenisse, Onwaard en Melissant behoorden tot de gemeente Melissant inclusief de polders Oud-Melissant, Oude Plaat, Alteklein, Diederikspolder, Nieuw Kraayerpolder, Roxenisse en een gedeelte van de hoek van Melissant, St. Elizabethpolder en Klinkerland. Tijdens de Franse bezetting in 1810 – 1814 besliste Napoleon Bonaparte om deze gemeenten samen te voegen met Dirksland. Drie jaar later, in 1817, kregen de gemeenten hun zelfstandigheid  weer terug waarna in 1857 de gemeenten Roxenisse, Onwaard en Melissant samengevoegd werden tot de gemeente Melissant. Meer dan een eeuw lang is het woord ‘herindeling’ niet gevallen in het bestuur totdat men in 1966 besloot om Melissant, Dirksland en Herkingen samen te laten gaan onder de gemeente Dirksland. Vandaag de dag valt het dorp Melissant onder de gemeente Goeree-Overflakkee.

Fabelachtig waar

Na de Sint-Elisabethsvloed in 1421 werden de gorzen bedijkt om de inwoners en het land te beschermen tegen het omliggende water. Als de fabel klopt ligt daar de oorsprong van de naam Melissant. Het verhaal is dat de bedijker van de polder Oud Meliszand de naam Melis droeg en de bedijker van de polder Dirksland Dirk of Diederick heette. De grond werd onderling verdeeld. Melis kreeg het zand (Meliszand) en Dirk kreeg het land (Dirksland).

Deze column is geplaatst in de lokale maandkrant Over Flakkee, oktober 2013.

Vanavond eten we géén vis

Eten we vanavond vis, vroeg ik laatst thuis. Nee, kreeg ik als antwoord terug. Maar ik zag toch echt schoongemaakte vis op het aanrecht liggen. Toen ik de vraag opnieuw stelde en hetzelfde  antwoord kreeg wist ik dat ik het anders moest aanpakken. Ik vroeg om uitleg. En die kreeg ik:

“We eten rundergehakt, varkensrollade, kalkoenfilet en kippenpootjes. Maar we eten geen vlees. Laat ik het anders zeggen: we noemen het beestje bij naam. Rund, varken, kalkoen, kip etc. Het allesomvattende woord ‘vlees’ gebruiken we niet om elkaar te vertellen wat we die avond gaan eten. We eten ook geen groente en fruit, maar boontjes en aardbeien. Zelden hoor je iemand zeggen dat ze gaan smullen van een poon of tarbot. Men eet ‘vis’ vanavond. Een visfilet, visburger, vissticks of visvingers. En dat kan bij wijze van spreken alles zijn: van een pangafilet, zalm gamba’s tot schol. Het is algemeen bekend dat de afstand tussen producent en consument groot is. Té groot. Maar volgens mij is de afstand tussen een boer en een consument kleiner dan tussen een visser en een consument. Het product vis is de bindende factor tussen visser en consument. En daar gaat het al mis. De consument weet niet welke vissoorten er op de Nederlandse afslagen worden aangevoerd. Weet ook niet hoe je vis moet schoonmaken, bereiden of in een maaltijd verwerkt. En ze weten ook vaak niet hoe ze het op moeten eten. De vraag of het visvlees van de gebakken tong afgehaald kan worden is in een restaurant heel gewoon geworden. Het wordt tijd dat de consument écht vis leert eten, bewust geniet en zelf ontdekt naar welke vissoort de voorkeur uitgaat. En het wordt dus tijd dat wij ze gaan leren kiezen, eten en genieten. Niet van vis, maar van schol, tong, zeeduivel, pieterman, poon, inktvis, makreel…”

Instemmend heb ik op het betoog ja-geknikt, terwijl ik genoot van mijn gebakken ‘poontje’ in plaats van ‘vis’. Flyshoot gevangen poon om precies te zijn. Ik leg de lat graag wat hoger…

Deze column is geplaatst in het vakblad Visserijnieuws, 13 september, nummer 37

Zeven trekken op een dag

Zeven trekken op een dag. Of meer. Met korte momenten voor jezelf van soms een paar uur, een uur of een kwartier. Die breng je slapend door in de kooi, etend boven de gootsteen in de kombuis of lezend in de stuurhut. Wetende dat je straks weer ‘aan de bak’ mag. Het is hard werken voor een visserman. Ik ben in de leer. Niet als visserman, niet in de kooi, kombuis of stuurhut. Maar gewoon thuis. Als kersverse moeder word ik getraind om het werkritme van ‘zeven trekken op een dag’ onder de knie te krijgen. Ervaringsdeskundige en mental coach is mijn man Cornelis. Het ritme wordt bepaald door de schipper. En die ligt in de wieg…

Image
Deze toepasselijke illustratie ontving ik van Jan van de Voort van het Visserijmuseum Vlaardingen ter felicitatie met de geboorte van onze zoon Walter.
De illustratie komt uit het vakbondsblad Ons Bestek. Orgaan van de Centrale van Zeevarenden ter Koopvaardij en Visserij 7(1962)

De smaak van thuis

Vroeger vond ik het stinken. Nu is het een vertrouwde geur. De vissershaven heeft op vrijdagochtend een aantrekkingskracht op mij. Ik ga er graag eerder mijn bed voor uit om de zee van lichtjes van de schepen die de haven binnenvaren in de verte al te zien. Om de mooie schepen rij op rij aan de steigers te bewonderen en hun motoren te horen ronken. Om bijna omver te worden gereden door de heftrucks die met grote vaart af en aan rijden om de kisten verse vis van de schepen naar de visafslag te brengen. Om vissers, peken, walschippers, mannen jong en oud in dialect en vakjargon naar elkaar te horen schreeuwen om het schip visklaar te maken en snel naar huis te kunnen. Het geluid van deze bedrijvigheid maakt mij trots. Trots op een mooie sector met mensen die vol overgave en traditie het familiebedrijf voortzetten en hebben gekozen voor een vak op zee.

Eigenlijk alleen op vrijdagochtend is het clichébeeld van de ruige ongeschoren zeebonk met gouden oorbel te spotten. In het weekend zijn het namelijk heel huiselijke mannen en vaders die voldoen aan het ideaalbeeld die de Libelle en Margriet schetsen. Met zo hun typische trekjes. Zoals het steevaste rondje met de auto over de haven. Ieder weekend weer. Vissers zijn trouwens ook heel goede koks. Zowel op zee als thuis. Het emmertje verse vis wat van boord mee naar huis gaat wordt geruild tegen groenten en aardappelen of opgegeten. In iedere vissersfamilie wordt er zaterdag vis gebakken.

De aantrekkingskracht van de visserijsector heeft mij ooit de stap doen nemen om vrijdagochtend om zeven uur op de steiger mijn charmes in de strijd te gooien met als doel zo’n gepassioneerde visserman in geel met oranje oliebroek inclusief baard aan de haak te slaan. Het resultaat: getrouwd, woonachtig in het oude vissersstadje Goedereede en zwanger! Ik ben nu letterlijk thuis in de visserij. Figuurlijk voel ik dat ook zo. Want ook ben ik thuis in mijn werk als communicatieadviseur en ambassadrice voor de visserijsector. Eens in de vis, altijd in de vis. Alsof het een levensstijl is. Een gevoel, een cultuur met een eeuwenoude traditie die moeilijk te omschrijven is. Die je alleen voelt als je het beleeft. Iedere buitenstaander die de visserij op een vrijdagochtend van dichtbij heeft mogen zien, horen en ruiken, heeft van dat gevoel mogen proeven. En is vanaf dat moment besmet met het visvirus, gecharmeerd van de verhalen van vissers en de visserij, en verslaafd aan tong, schol, griet, tarbot, zeebaars, poon, mul en vele andere soorten verse vis gevangen door de Hollandse vissersvloot op de Noordzee. Het product vis krijgt een gezicht. En telkens als je vis eet proef je dat gevoel, die herinnering, dat verhaal en beeld. Dat is de smaak van thuis. Heerlijk hè!? Cornelis roept me. Hij heeft vis gebakken.

Gevraagd door Lorenzo Ledel voor het schrijven van bovenstaand gastcolumn in zijn gastronomisch magazine VISION met vis als hoofdmoot.                         nummer 15 – voorjaar 2013

VISION - Gastronomisch magazine met vis als hoofdmoot - nummer 15 2013
VISION – Gastronomisch magazine met vis als hoofdmoot – nummer 15 2013

 

Pagina gastcolumn in VISION
Pagina gastcolumn in VISION

 

 

Blauw en groen

Ik ben dol op groen! Groene klompen bij de achterdeur, die ik draag als ik met mijn groene vingers in de tuin aan de slag ga. Op tafel staan de bloemetjes in groene vaasjes en ook de woonaccessoires hebben een groen accent. Gewoon omdat het zo mooi afsteekt tegen de mosgroen geverfde wand.

Als ik samen met Cornelis een rondje over de haven doe heb ik zo mijn voorkeur. De groen geverfde kotters. Daarin verschillen onze meningen. Blauw is gewoon de kleur voor een vissersschip, krijg ik dan altijd steevast als verweer. Onze GO1 is dan ook blauw. Een volgende dokbeurt wordt hij groen, probeer ik dan altijd weer gekscherend als we van de haven naar huis rijden.

Meningsverschillen over ‘groen’ zijn er veel. In alle soorten en maten. In Nederland en ver van ons vandaan. De groene bewegingen willen een groene maatschappij. Het bedrijfsleven volgt met groene bedrijfsvoering. En de burger van nu rijdt groen en gebruikt groene stroom. En als het groen is, dan moet het nog groener. Misschien bedoelen ze dan mosgroen, lime groen of….? En dan de meningsverschillen over dat de zee groener moet worden. Dat is toch niet natuurlijk…

Blauw en groen gaat heel goed samen. Volgens de mens vloeken deze kleuren bij elkaar. De natuur bewijst het tegendeel met blauwe kraaltjes en maagdenpalm. Blauw staat voor water en de zee. Groen staat voor landbouw en aarde. Een goede balans en een samenwerking tussen blauw en groen biedt mogelijkheden voor de toekomst van de visserijsector.

Tijdens het afgelopen rondje over de haven heb ik gezocht naar een compromis voor de kleur van de kotter. Ik heb Cornelis nu het voorstel gedaan om de kotter turquoise te verven, de kleur die verkregen wordt door het mengen en samenvoegen van blauw en groen. Het is de kleur van niet stilstaan maar vooruit gaan. De kleur van de toekomst!

Groen en blauw in de haven van Stellendam
Groen en blauw samengevoegd= turquoise

Gornet pellen

Woon je in de buurt van Stellendam, dan behoor je ‘gornet’ ofwel garnalen te kunnen pellen. Al op jonge leeftijd wordt het pellen aangeleerd. Het huiskamer pellen is dan wel niet meer toegestaan, maar de keukentafels in Stellendam worden nog steeds gebruikt voor het gezellig, gezamenlijk pellen van garnalen. Midden op tafel de berg ongepelde garnalen, emmertje op schoot voor het afval en een bakje voor de gepelde garnalen. Bakje koffie erbij en gezellig kletsen.

Als ‘overkanter’ uit Rockanje en van het eiland Voorne-Putten ben ik nu aardig ingeburgerd op het eiland Goeree-Overflakkee. Want ik weet dat ik woon op Goeree en niet op Flakkee, ben getrouwd met een Melissant, versta het dialect en betrap mezelf erop dat ik soms weleens iets brabbel in het Goerees of er een eigen taaltje van maak. Zoals ‘gornalen’ in plaats van gornet. En die ‘gornalen’ lust ik heel graag, maar kon ik nog niet pellen. Tijd voor bijscholing!

Op een doordeweekse dinsdagmiddag zou het dan echt gebeuren. Ik schoof aan een tafel die vol lag met garnalen die dezelfde ochtend nog gevangen waren voor de haven van Stellendam. Ook het emmertje voor de afval, het bakje voor de gepelde garnalen en het bakje koffie stond klaar. Alleen het gezellig kletsen ging me in het begin moeilijk af! Vol concentratie dook ik op mijn werk. Na wat gebroken en opgesnoepte garnalen kreeg ik de smaak te pakken. Ik was bijna net zo vlug als in die reclame…

Vroeger had Stellendam een grote garnalenvloot. De garnalen werden gepeld door vrouwen in het dorp aan de keukentafel. Hoe sneller en hoe meer je kon pellen, hoe meer je verdiende. Ik heb begrepen dat deze pelsters goed verdienden. Zo goed, dat ze iedere week op zaterdag naar D’n Diek, het winkelcentrum in Middelharnis, gingen om de verdiende centjes uit te geven. De Stellendamse garnaal werd een begrip en is nog steeds een begrip.

Het huiskamer pellen werd verboden. De aanvoer van garnalenscheepjes in Stellendam bleef. Een Stellendamse vishandelaar kocht de aanvoer op en liet de garnalen pellen in HACCP gecertificeerde ruimten. Gepeld met de hand door dames van 60 jaar en ouder. De pelster zijn nu dan toch echt met pensioen.

Er zijn in Nederland geautomatiseerde pelmachines in gebruik. Het is wachten tot er ook ooit zo’n machine naar Stellendam komt. Dat zou commercieel interessant zijn.

De traditie van het huiskamer pellen blijft, want er gaat niets boven het snoepen van verse garnalen die je zelf gepeld hebt. Ik zet de traditie voort!

Nu echt vissersvrouw

Vissersvrouw zijn en je vissersvrouw voelen. Daar zit een wezenlijk verschil in. Al meer dan 4 jaar ben ik vissersvrouw, al meer dan 2 jaar delen we dezelfde voordeur en sinds 16 september 2011 voel ik me echt de vrouw van Cornelis Melissant. Ik ben getrouwd!! Ik krijg nog privéles in het goed uitspreken van mijn nieuwe achternaam, maar voor de rest gaat het me goed af! Ik hoor hem in ieder geval niet klagen. De foto’s en het fotofilmpje op de site van de fotograaf herinneren ons aan deze mooie dag, die zo voorbij is gevlogen. Wat waren we mooi! Of klink ik nu erg getrouwd?